Woordenboek
Korte verklaringen van woorden die op de soortpagina's terugkomen. Geen vervanging van een wetenschappelijke flora.
E
- Eenjarig
- De plant kiemt, bloeit en sterft binnen één groeiseizoen. Alleen het zaad overwintert, zoals bij de grote klaproos.
- Ent
- Twee planten die tot één plant zijn gemaakt: de onderstam en het ras erboven. De entplaats is de verdikking laag op de stam.
- Epifyt
- Een plant die op een andere plant groeit zonder daar voedsel uit te halen, zoals veel orchideeën.
T
- Tweejarig
- De plant maakt het eerste jaar een rozet en bloeit het tweede jaar, zoals vingerhoedskruid.
- Tweehuizig
- Mannelijke en vrouwelijke bloemen staan op aparte planten, zoals bij hulst en taxus.
V
- Vaste plant
- De plant leeft meerdere jaren. Vaak sterft het blad in de winter af terwijl de wortels blijven.
H
- Heester
- Een houtige plant die zich vanaf de grond vertakt, zonder één duidelijke stam. Een struik.
- Halfheester
- De plant verhout deels, zoals lavendel. Het jonge deel kan invriezen terwijl de basis blijft.
- Handvormig
- De nerven of lobben ontspringen vanuit één punt, zoals bij esdoorn.
- Hartvormig
- Het blad heeft een inkeping bij de steel, zoals bij hosta en linde.
- Hechtwortel
- Een wortel waarmee een klimmer zich vastzet, zoals klimop. De plant voedt zich daar normaal niet mee.
- Halfschaduw
- Een plek met een deel van de dag zon, of gefilterd licht onder een open kroon. Geen diepe schaduw.
- Humus
- Verteerd organisch materiaal in de bodem. Het houdt vocht vast en maakt zware grond luchtiger.
B
- Boom
- Een houtige plant met meestal één stam en een kroon. De grens met een struik is in de tuin vaak een keuze van snoei.
- Bladverliezend
- Het blad valt in de herfst of winter af. De plant is niet dood.
- Bol
- Een ondergrondse voorraad van verdikte bladbases, zoals bij tulp en narcis.
- Bestuiving
- Het overbrengen van stuifmeel naar de stempel, waarna zaad of vrucht kan ontstaan. Veel fruitrassen hebben een ander ras nodig.
W
- Wintergroen
- Het blad blijft in de winter zitten, zoals bij hulst, klimop en taxus.
- Wortelstok
- Een ondergrondse stengel waaruit nieuwe scheuten komen, zoals bij lelietje-van-dalen.
- Winterhard
- De plant overleeft de winter buiten in het klimaat waar het etiket op doelt. In Nederland telt ook de natheid van de grond.
- Waardplant
- De plant waarvan een insect eet of waarop het zijn eieren legt, zoals jacobskruiskruid voor de sint-jansvlinder.
I
- Inheems
- De soort hoort van nature in het betreffende gebied thuis. Aangeplant of ingezaaid is niet hetzelfde als wild.
- Invasief
- Een uitheemse soort die zich zo sterk uitbreidt dat andere soorten worden verdrongen. Niet elke exoot is invasief.
- Iepenziekte
- Een schimmel die iepen verwelkt, verspreid door kevers. Aangetast hout hoort niet naast gezonde iepen te blijven liggen.
S
- Stinzenplant
- Een voorjaarsplant die bij oude buitenplaatsen is aangeplant en daar is verwilderd, zoals het sneeuwklokje.
- Schutblad
- Een blad bij de bloem dat zelf op een bloemblad lijkt, zoals het witte blad van de lepelplant.
- Samengesteld blad
- Een blad dat uit meerdere deelblaadjes bestaat, zoals bij es, vlier en lijsterbes. Het geheel valt als één blad af.
- Standplaats
- De combinatie van licht, wind, vocht en beschutting op de plek waar de plant staat.
- Snoeigroep
- Bij clematis: het moment en de diepte van snoei, afhankelijk van of de plant op oud of jong hout bloeit.
- Spore
- Het voortplantingsmiddel van varens en mossen. Geen zaad en geen bloem.
- Stek
- Een stuk stengel, blad of wortel dat uitgroeit tot een nieuwe plant met dezelfde eigenschappen als de ouder.
- Schijnvrucht
- Een vrucht waarbij het vlezige deel niet alleen uit het vruchtbeginsel bestaat. De vijg is er een voorbeeld van.
- Scherm
- Een bloeiwijze waarbij de bloemstelen uit één punt komen en een plat vlak vormen, zoals bij fluitenkruid.
U
- Uitlopers
- Scheuten die over of onder de grond nieuwe planten maken, zoals bij maagdenpalm.
- USDA-zone
- Een indeling op gemiddelde minimumtemperatuur. Nederland valt grofweg in de zones 7 en 8. De zone zegt niets over natte klei.
K
- Knol
- Een verdikte stengel of wortel zonder de lagen van een bol, zoals bij krokus en dahlia.
- Katje
- Een hangende of opstaande bloeiwijze met veel kleine bloemen, zoals bij berk, els en hazelaar.
- Knotten
- Terugsnoeien tot een verdikte kop, zoals bij een knotwilg, waarna nieuwe loten uitlopen.
- Kleinfruit
- Bessen, bramen, frambozen en druiven: houtige planten die kleiner blijven dan een appel- of perenboom.
O
- Onderstam
- De wortels en stamvoet waarop een fruitras is geënt. De onderstam bepaalt hoe groot de boom wordt.
G
- Gelobd
- De bladrand heeft diepe insnijdingen die niet tot de middennerf gaan, zoals bij eik en klimop.
- Gezaagd
- De bladrand heeft tanden die naar de bladtop wijzen, zoals bij een roos.
- Gaafrandig
- De bladrand is glad, zonder tanden, zoals bij de beuk.
L
- Lancetvormig
- Het blad is veel langer dan breed en loopt spits toe.
- Leiboom
- Een boom waarvan de takken in een plat vlak worden geleid, vaak tegen een muur of langs draden.
D
- Doorn
- Een scherpe, verhoute punt die uit de stengel zelf komt, zoals bij meidoorn. Een stekel van een roos zit meer op de opperhuid.
- Droogtetolerant
- De gevestigde plant overleeft een periode zonder regen. Jonge aanplant heeft vaak alsnog water nodig.
- Drainage
- De mate waarin water wegloopt. Slechte drainage betekent een bodem die na regen lang nat blijft.
P
- pH
- De zuurgraad van de bodem. Lage pH is zuur, hoge pH is kalkrijk. Hortensia's laten dat soms in hun kleur zien.
M
- Mulch
- Een laag organisch materiaal op de bodem, zoals blad of compost, die uitdroging en dichtslaan remt.
C
- Calciumoxalaat
- Kristallen in onder meer aronskelkachtigen. Ze veroorzaken irritatie bij kauwen. Veel kamerplanten bevatten ze.
- Cultivar
- Een gekweekte selectie met een naam tussen aanhalingstekens, zoals een druif Boskoop Glory. Een zaailing lijkt er niet automatisch op.
A
- Afharden
- Een plant die binnen stond, over een paar dagen aan buitenlicht en wind wennen voor je haar definitief buiten zet.
Z
- Zuurminnend
- De plant wil een lage pH. Blauwe bes en rododendron horen daarbij. Kalk en hard leidingwater werken tegen.
J
- Juglon
- Een stof uit wortels en blad van de walnoot die de groei van veel andere planten remt.
